Hoe belangrijke zijn de genetische werkeigenschappen van je Zwitserse witte herder?

Bijgewerkt op: 11 mei


Onderzoek wijst uit dat 80% van de pupkopers zich bij de keus voor een hond laat leiden door het uiterlijk van een hond of de “zogenaamde klik” ermee. Daarnaast worden honden/puppys die een kinderlijke gezichtsuitdrukking hebben (de zgn weekmakers) (ook wel doe me geen pijn uitdrukking), zelfs nog veel vaker uitgekozen dan pups die kwispelen, enthousiast doen of vrolijk zijn.

Ook onze witte herder pups hebben (vaak beschreven als een wit mini ijsbeertje met z’n donkere ogen) zeer zeker een hele grote aaibaarheid en knuffelfactor en gezichtsuitdrukking waar je voor smelt.

Als professioneel hondenfotograaf en - hondengedragstherapeut en eigenaar en gepassioneerd liefhebber van de Zwitserse witte herder kom ik met heel veel witjes in aanraking, zowel als pup, opgroeiend en als (jong) volwassen hond. Ik durf me inmiddels gerust een specialist te noemen op hondengedrag en zeer zeker van onze lieve en prachtige witjes. Het zijn fantastische honden, voor mij gelden ze als witte parels in het licht van de zon zoals zo mooi omschreven ooit door Dieter Modl. Met hun karakter en schoonheid maken ze vaak diepe indruk, en ze zijn fascinerend en prachtig..


Maar hoezeer veel (nieuwe) baasjes ook vallen voor alle charmes van het ras, ze weten vaak niet, of vergeten na de aanblik van zo’n prachtig wit bolletje, de genetische eigenschappen waarom herdershonden ooit gefokt zijn. En daar wil ik nu graag wat dieper op in gaan, omdat ik heel veel (gedrags)problemen onder handen krijg van opgroeiende of (jong) volwassen Zwitserse witte herders. En veel van die problemen komen overeen of hebben mede dezelfde (onderliggende) oorzaak.

Genetisch zijn er twee (mega)grote drijfveren in het brein van de herdershond: 1. Beweging: herders hebben een bewegingstrigger, wat wil zeggen dat ze een controle uit willen oefenen op beweging, vaak de beweging willen stopzetten, desnoods met geweld (komt van het zgn hoeden, op de plaats houden of stilzetten en daarnaast het in beweging zetten (het (schapen) drijven van a naar b) 2. Waken en verdedigen wat voorkomt uit de eigenschappen van zijn voorouders die vaak als geleide-, waak-, verdedigings-, diensthond gebruikt werden.

Niet voor niks dat heel veel witjes rennende honden/dieren/mensen/fietsers (beweging) willen stoppen bijv. of moeite hebben met mensen en honden die te dicht (hun of van het baasje) persoonlijke ruimte oftewel territorium naderen.

Kortom: het is belangrijk te beseffen welke erfelijke en genetische raseigenschappen (nog) voorkomen in je hond en het belang ervan niet onderschat. Je hond heeft ze en moet er iets mee doen, verbieden leidt tot frustratie en die leiden tot gedragsproblemen. De werkeigenschappen zijn voor de hond een uitlaatklep en je kunt er je hond geen groter plezier mee doen dan door er op een goede manier inhoud en vorm aan te geven en in plaats van wat veel hondenbezitters doen, namelijk er tegen strijden, is het toch veel en veel leuker en beter om samen te werken, je hond te coachen, te begeleiden en te stimuleren. En met een beetje kennis en verdieping kun je zijn (werk) eigenschappen juist gebruiken om een nog sterkere band te krijgen en samen te genieten van alles wat het leven jullie biedt (denk bijv. er eens aan om regelmatig te gaan speuren, of schapendrijven of Treiball etc)

Maar let ook op, je kunt ook onbewust de (verkeerde) werkeigenschappen stimuleren: als je bijv. met je herdershondpup ballen gaat gooien maak je de neiging om achter beweging aan te gaan nog velen malen sterker..de kans dat de pup gaat generaliseren (ik mag achter alle beweging aanrennen wordt dan groter, hardlopers, mtb’ers etc.) en is later weer lastiger af te leren. Beter is het om juist vanaf de pupleeftijd regelmatig meer (natuurlijke) driftcontrole- en beheersingsoefeningen met je witje te doen.

Bijv. een simpele oefening om de hond te leren niet achter elke beweging aan te gaan is de volgende oefening:

Je hebt twee ballen: een is van jou en daar mag de pup niet achter aan en andere bal is voor de pup.

Rol de bal weg (in plaats van gooien) en doe dit wisselend met de verschillende ballen en geef de pup (3 a 5 maanden) afwisselend toestemming om de bal te gaan halen (ga maar "apport"). Gebruik een lange lijn om controle uit te oefenen en zorg voor een "fantastische" beloning bij het gewenste gedrag. Begin gemakkelijk, bijv. eerst in huis of de tuin en maak het als t goed gaat steeds wat moeilijker. Eerst dichtbij, dan wat verder weg, dan in wat moeilijkere omstandigheden etc. de hond mag alleen de bal gaan halen, na toestemming, van bijv. een kijk (check in) naar de baas of commando vd baas.

Opvallend is dat het terugbrengen van de bal meestal niet zo makkelijk gebeurt. Het zit gewoon niet zo in het genenpakket van ons witje. Het gaat er blijkbaar meer om het achterheen rennen en stilzetten (schaap), dan braaf de bal terugbrengen. Kortom, probeer met bijv. behulp van de lange lijn aan te leren dat terugbrengen erg belonend is zodat je zelf niet steeds achter je witje aan moet om de bal te krijgen of boos "los" moet roepen.

Meer weten over hoe je je hond/witje het best begeleidt en hem/haar kunt bieden waardoor jullie je allebei heel fijn en op je best voelen bij elkaar? Stuur dan eens een berichtje voor meer info.


Kees van Sundert.

Erkend hondengedragstherapeut bij Dogcases &

professioneel hondenfotograaf bij Inspired by Bandhu Hondenfotografie

11 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven